Home
Nieuwstadt

Beeldbepalende elementen
Bekende Nieuwstadtenaren
Het 37e Nieuwstadt in Europa
Appelzenge
Literatuur


Nieuwstadt:  het bestaan!!  als stad??

 

Volgens een akte van 3-8-1277 droeg Henrik van Montfort (dit is Hendrik van Gelder ook wel 'van Montfort' genoemd) de eigendom van het kasteel Montfort, van Nieuwstadt en enige andere plaatsen over aan graaf Reinald van Gelder (zoon van Hendrik’s broer Otto) onder het voorbehoud dat Hendrik er het vruchtgebruik (dus de inkomsten) van behield tot aan het einde van zijn leven. 
Met betrekking tot deze overdracht werden de goederen van Hendrik van Montfort gespecificeerd in een akte van 12-12-1277 die is bezegeld met onder andere het zegel van Nieuwstadt. Uit de opsomming in deze akte bleken bij het kasteel Montfort te horen: Nieuwstadt, Linne, Echt, Vlodrop, Roosteren, Posterholt en St.Odiliënberg. 
De vernoeming van Nieuwstadt in een akte van 1277 vormde het uitgangspunt voor de viering van ‘Nieuwstadt 700’ in 1977; feitelijk de viering dat Nieuwstadt 700 jaren eerder voor het eerst in een akte was genoemd, of anders gezegd dat al minstens 7 eeuwen mensen in deze plaats leefden en een gemeenschap vormden. {drs.G.Venner, Rond de akte van 1277, in het boek Nieuwstadt van stad tot dorp, uitgave Nieuwstadt 1977}

Bij gelegenheid van ‘Nieuwstadt 700’ werd door drs.G.Venner uitvoerig ingegaan op de stad in juridische, economische en geografische zin en op de ontwikkeling van dorp tot stad. In het algemeen kan gesteld worden dat stadswording niet op één moment plaats had  maar de speciale (stads)status geleidelijk ontstond door ontwikkeling van handel en nijverheid en werd bevestigd door privileges van de landsheer. Ook kon de landsheer een politiek bedrijven om steden te stichten door privileges te verlenen zodat handel en nijverheid daardoor tot bloei kwamen (dus een beetje de omgekeerde volgorde). 
Het zegel van Nieuwstadt hangt aan de eerder genoemde akte van 12-12-1277 en toont aan dat de stedelijke ontwikkeling toen al in een vergevorderd stadium was. Een bevestiging hiervan vinden we in de aanduiding in 1277 als “Novum oppidum” een uitdrukking welke in die tijd werd gebruikt voor een versterkte plaats. 
Zo ook trok de graaf van Gelre zich in 1286 tijdens het voorspel van de beslissende slag van Woeringen terug ter Nuwer Stat, het zuidelijkst gelegen verdedigingspunt van Gelre. 
Vanaf 1290 is Nieuwstadt vermeld in vrijwel alle akten waarin de steden van het Overkwartier van Gelder betrokken zijn. De akte van 11-11-1312 waarbij graaf Reinald van Gelder de rechten gaf na tevoren de oude rechten te hebben ingetrokken is waarschijnljk in Nieuwstadt (evenals de gelijksoortige akten van 4-12-1312 in 9 andere steden) nooit aangekomen en heeft dus ook geen geldigheid gehad. De akte waarmee die “oude rechten” werden verleend is niet bekend cq bewaard gebleven. Bekend zijn wel de akten van 22 en 24-12-1377 waarin ‘onse stadt de Nyerstadt’ is vermeld. 
In economische zin werden vermeld: beroepen en aan beroepen gerelateerde familienamen van bewoners (1369), de belasting op het brouwen (1397/1398), een volmolen van de hertog (1399/1400) en het gewandhuis (1479). 
Met eigen recht en stadsbestuur, een raadhuis en zegel, beroependifferentiatie en vestingwerken bezat Nieuwstadt een serie kenmerken die duidelijk maken dat het inderdaad een stad was. Bij afdragen van het leen van zijn goederen tussen Roermond en Maastricht door graaf Otto van Gelder in 1204 aan de bisschop van Luik werd Nieuwstadt (nog) niet genoemd en dus waarschijnlijk nog geen onderdeel van Gelder. Het randschrift van het zegel van Nieuwstadt luidt 'van de Graaf van Gelder' en geeft aan dat Nieuwstadt Gelders bezit was vóórdat Hendrik zijn heerlijkheid Montfort verwierf (waarschijnlijk in 1258-1259). Als deze veronderstelling juist is dat Nieuwstadt al vóór 1258 Gelders bezit was en het zegel bezat dan was de stadswording van Nieuwstadt al rond 1250 gaande. {drs.G.Venner, De stedelijke periode van Nieuwstadt, in idem}

Bij een akte van 15-7-1242 met betrekking tot het dorp Wehr bij Ahrweiler (en aanwezig in het archief van de abdij Steinfeld in de Eifel) traden diverse getuigen op waaronder W. plebanus de Novo Opido, Th. miles dictus Crumphut, Nikolaus miles de Sittert, Th. scoltetus de Rurmunde, G. scoltetus de Egche en R. dictus Scermus. Mede omdat de hier genoemden direct achter elkaar genoemd werden en te localiseren zijn in de streek rondom Roermond, Sittard en Heinsberg wordt aangenomen dat 'W. plebanus de Novo Opido' staat voor  pastoor W. uit ons Nieuwstadt, ook al is geen absoluut bewijs hiervoor geleverd.
Verder is het zegel van Nieuwstadt ter datering op grond van stylistische kenmerken voorgelegd aan dr.T.Diederich (in 1984 Archivdirektor van het bisschoppelijk archief te Keulen), die zich vaker met datering van zegels had beziggehouden. Hij heeft met redenen omkleed gesteld dat het zegel mogelijk omstreeks 1250 vervaardigd is.
Deze beide conclusies geven aan dat de stadswording van Nieuwstadt zich niet tegen het einde van de dertiende eeuw, maar mogelijk eerder, rond 1250, voltrok. {drs.G.Venner, Nieuw licht op de stadswording van Nieuwstadt, in het tijdschrift De Maasgouw, uitgave 3e kwartaal 1984, blz.145-150)

Otto II, 1229-1271 graaf van Gelre, voegde aan het groeiende stedelijke landschap van Gelre toe: Roermond (1234/1244), Nijmegen (1247), Neustad (rond 1250) en Goch (1261). De op het zuiden gerichte politiek van Otto II zou later worden voortgezet door zijn zoon Reinald I. {Wilhelm Janssen, De geschiedenis van Gelre tot het Tractaat van Venlo in 1543, in het boek Geschiedenis en cultuur van het hertogdom Gelre, uitgave Geldern 2001}

Bij niet minder dan 26 steden in Gelre was de landsheer de doorslaggevede factor inzake de stadswording. De in Gelre niet tot bloei gekomen stadsstichtingen lagen alle in het Overkwartier en zelfs, op Kessel en Kriekenbeek na, ten zuiden van Roermond. Er was daar ingevolge het streven naar beveiliging van de zuidgrens een regio met een overschot aan steden ontstaan. De oudste vermelding van Nieuwstadt als stad is van 1242. {Klaus Flink & Bert Thissen, De Gelderse steden in de Middeleeuwen, in het boek Het Hertogdom Gelre, uitgave Utrecht 2003}

Op grond van de hier weergegeven publicaties van erkende historici kunnen we constateren dat Wilhelm Janssen en Klaus Flink/Bert Thissen de conclusie van dr.G.Venner (mede gebaseerd op een onderzoek van dr.T.Diederich) ondersteunen zodat wij op hun gezag mogen uitdragen dat Nieuwstadt op 15-7-1242 bestond en toen de stadswording in elk geval in een vergevorderd stadium verkeerde.

Regionaal bekeken krijgt 1242 een heel opmerkelijke betekenis. Zoals we het jaartal 1242 in verband kunnen brengen met Nieuwstadt in Gelre, geldt dat voor 1243 met Sittard in Gulick en voor 1244 met Maaseik in Loon. De drie Landsheren hebben dus op nagenoeg hetzelfde tijdstip een stad in wording  nabij de samenkomst van hun gebieden (een soort "drielandenpunt"). Slechts rond 45 jaren later (in 1288) leed de Heer van Gelder in de Slag bij Woeringen een zware nederlaag met groot verlies van aanzien terwijl de Heren van Gulik en Loon tot de overwinnaars behoorden. Daarmee werd de expansiedrang van de Heer van Gelder naar het zuiden (gericht op het Hertogdom Limbourg) in de kiem gesmoord en daarmee lijkt het niet verwonderlijk dat Nieuwstadt in tegenstelling tot Sittard en Maaseik uiteindelijk niet is doorgegroeid tot een echte stad.

aug.2013 / PvH / okt.2016